2. Het lijden: geen daden, maar woorden, sprak Hamlet

 deze pagina is nog in aanbouw!

Het lijden van Hamlet

“Geen woorden, maar daden”
– een veel gehoorde strijdkreet,
tot op het voetbalveld aan toe.

Maar omgekeerd kan ook.
“Geen daden, maar woorden”
– en dat levert vertraging alom!

Ook dit drama van Shakespeare is doorspekt met verwijzingen in de gesproken tekst naar de kern van het lijden – in talloze formuleringen, zowel expliciet als indirect, zowel nadrukkelijk vanuit de personages zelf als ook ‘buiten hun medeweten’ wanneer Shakespeare zijn eigen woorden zorgvuldig in hun mond legt. Wie het (juiste) lijden eenmaal kent zal de letterlijke verwijzingen in de tekst veelvuldig onder ogen krijgen. En omgekeerd: op zoek naar het lijden kan het geen kwaad om oog te hebben voor herhaling en varianten. Bij Macbeth gaven we hiervan reeds voorbeelden. Maar een verondersteld lijden dat in de dialoog nauwelijks letterlijke weerklank vindt, is simpelweg mis bij vrijwel alle klassieke drama en zeker bij Shakespeare – hoe simpel dat ook moge klinken. Wie nu veronderstelt dat daarmee ‘het stuk teveel wordt uitgelegd’ heeft het ook mis: ook over al die treffende woorden wordt simpelweg heen gelezen, wanneer de lezer wel ‘begrijpt’ wat hij leest, maar niet ‘telt’ wat hij leest. Aldus voor de goede verstaander.

Hieronder doorlopen we een reeks clausen uit het eerste bedrijf en doen we niets anders dan teksten aankleuren die overduidelijk – dus letterlijk – verwijzen naar het lijden van Hamlet: in woorden, woordspelingen, varianten, herhalingen, enz. enz. Kortom: alle varianten van woorden en daden…. 

Daarnaast zijn er ook enkele teksten aangekleurd m.b.t. de tegenstelling van mystiek, traditie, geloof (Middeleeuwen) versus ratio, wetenschap, waarneming (Renaissance).

Want tussen die opeenvolgende tijdperken zit Hamlet – eenzaam zijn tijd vooruit – vastgeklonken tussen daden en woorden, tussen doen en denken. Dus… wat nu?


EERSTE BEDRIJF


scène I.1.    Elseneur. Op de kantelen van het slot.
Francisco staat op wacht en wordt afgelost door Bernardo. Marcello en Horatio voegen zich bij hem. Horatio staat sceptisch tegenover de melding van Bernardo en Marcelleus over een twee maal verschenen spookbeeld. Horatio nodigt Bernardo uit zijn verhaal te doen. Nauwelijks is Bernardo begonnen aan zijn getuigenis over afgelopen nacht, of …


.
Marcellus:
  Horatio zegt dat wij het ons maar verbeelden;
                   hij weigert te geloven in het spookbeeld
                   dat ons tweemaal verschenen is. Daarom
                   heb ik hem verzocht de wacht van deze nacht
                   met ons te delen, te bevestigen wat ons oog
                   gezien heeft en het woord tot haar te richten.
Horatio:     Ach wat, ze komt niet.                                               > wetenschappelijk wantrouwen…
Bernardo:                       Ga eens even zitten,
                  en laat ons nogmaals je gehoor bestormen,                
                  dat zich verschanst heeft tegen het relaas
                  van wat wij twee keer hebben meegemaakt.             > getuigenverklaring
Horatio:   Goed, laten we gaan zitten. Kom, Bernardo,
                  doe je verhaal.
Bernardo:                  De afgelopen nacht,
                  toen gindse ster, ten westen van de poolster,
                  dezelfde plek van het uitspansel verlichtte
                  waar zij nu glinstert, zagen vriend Marcellus
                  en ik, om klokke één…..

[De geest verschijnt]

Marcellus:  Stil, zwijg toch, kijk, daarginds, daar komt het weer! 
Bernardo:   Wéér de gedaante van de dode koning.
Marcellus:  Jij bent geletterd, spreek het toe, Horatio.
Bernardo:  Lijkt het niet op de vorst, Horatio?
Horatio:                                                              Sprekend.                > waarneming
                    Vrees en verbijstering slaan mij om het hart.
Bernardo:  ‘t Wil toegesproken worden.
Marcellus:                                                Spreek, Horatio.
Horatio:     Wie bent u….. (…)
                                           Bij de hemel, spreek!
Marcellus: Het is beledigend.
Bernardo:                             Kijk, het schrijdt weer weg.
Horatio:    Blijf, zeg ik u! Spreek, ik bezweer u, spreek!                > 7 varianten van ‘spreken’

[De geest af]

Marcellus:  ‘t Is weg en geeft geen antwoord.
Bernardo:   Nu, en, Horatio? Je ziet bleek, je beeft!
                    Is dit zinsbegoocheling of iets méér;
                    wat denk je er nú van?
Horatio:                                    Ik verklaar voor God,
                   dat ik er nooit geloof aan had gehecht
                   wanneer mijn eigen ogen het mij niet                        > observatie, onderzoek
                   verzekerd zouden hebben.                                        > conclusie


Horatio en Marcellus hebben de geest herkend als de overleden koning en zoeken naar een verklaring i.v.m. de opmars van Fortinbras.


.
[Geest komt weer op]

Horatio: Is er geluid in u of hebt u stem,
                Spreek mij dan toe.
                Is er een goede daad te doen die u
                rust kan verschaffen en die mij tot eer strekt,
                spreek mij dan toe.
               (…)
               o spreek!  
               (…) 
               spreek dan, sta, spreek!                            > 7 varianten van ‘spreken’ 


De geest gaat weer af, de ochtend breekt aan.


.
Horatio: Wij breken op. Het lijkt me raadzaam, vrienden,
              de jonge Hamlet te vertellen wat wij
              vannacht gezien hebben, want op mijn woord, 
              de geest die in ons bijzin heeft gezwegen, 
              zal spreken tegen hém.                                > conclusie: ‘spreken’ leidt tot Hamlet


scène I.2.   Laertes vraagt aan Claudius en Polonius toestemming voor vertrek naar Frankrijk. De Koningin verzoekt Hamlet om niet terug te keren naar de hogeschool.
Hamlet wordt door Horatio gevraagd te komen kijken naar het nachtelijk verschijnen van de geest.

scène I.3. Polonius waarschuwt Ophelia voor Hamlet’s toenaderingen.


vergelijk de teksten / formuleringen van Polonius met die van Horatio en Hamlet!
Polonius begrijpt niets van die studenten en maakt hun academische taal uit voor ‘gebabbel’
Kortom: Polonius blijkt een zelfbevredigend opscheppertje met beperkt denkvermogen…

Polonius:     (…)
Wees in ‘t vervolg wat minder
vrijgevig met je maagdelijk gezelschap,
en acht jezelf te goed om op bevel
te kwetteren. Wat nu prins Hamlet aangaat,
wees hiervan overtuigd: hij is nog jong
en hij kan grazen aan een langer touw
dan jou is toegestaan. Kortom, Ophelia,
geloof zijn eden niet; ‘t zijn koppelaars;
niet als zodanig uitgedost, maar toch
pleiters voor goddeloze neigingen,
schijnheilig fluisterend, om des te beter
te kunnen overreden. Kort en goed:
Ik wil niet dat je nog één ogenblik
vergooit aan dat gebabbel met prins Hamlet.
Begrepen? Laat ons gaan.

Ophelia:                   Het zij zo, heer.                                          > het zij zo = amen = let it be
                                                                                                 > 
  na 30 versregels van Polonius
                                                                                 heeft
Ophelia slechts één versregel! … zij geeft het op

[Beiden af] 


scène I.4. Hamlet, Horatio en Marcellus wachten op de geest, die vervolgens verschijnt. De geest wenkt Hamlet mee te komen…


.
Geest:      … Wreek dan die lage en ongewone moord.
Hamlet:     Moord?
Geest:       De laagste moord die men zich denken kan,
                  duister en onnatuurlijk bovenmate.
Hamlet:     Zeg het mij snel, opdat ik snelgewiekt
                  als de gedachte of een droom van liefde,
                  kan schieten naar mijn wraak. 
Geest:                           Je geest werkt vlug,
                 maar trager zou hij zijn dan ‘t botte kruid
                 dat vadsig woekert op de Lethe-oever,
                 als dit je niet bewoog.


De geest vertelt vervolgens hoe hij door Claudius werd vermoord en vertrekt dan.


.
HAMLET

O aarde! O hemel! – Moet ik ook de hel
nog aanroepen? – O smaad! Wees sterk, mijn hart.
En gij, mijn spieren wordt niet eensklaps oud,
maar houdt mij stram rechtop. Ik u vergeten?
Nooit, arme geest, zolang ‘t geheugen woont
in dit verwarde hoofd. Ik u vergeten?
Nooit! Uit het boek van mijn herinnering
wis ik alle nietigheden, alle spreuken,
beelden en indrukken, die jeugd en studie
daar hebben geschreven. Enkel dat
wat ú bevolen hebt zal blijven leven
in ‘t boekdeel van mijn geest, en niet vermengd
met lager dingen. Bij de hemel, ja!
O diep gezonken vrouw!
O schurk, verdoemde, glimlachende schurk!
Ik schrijf het op… ik moet … ik schrijf hier neer:
iemand kan glimlachen en toch een schurk zijn,
althans… dat weet ik nu… in Denemarken.
[hij schrijft]                                                                              > PEN en PAPIER
Daar sta je oom. Rest nog mijn wapenspreuk:                    > WAPEN > <  SPREUK  = contrast vh lijden !
‘Vaarwel, vaarwel, en wil mij niet vergeten’…
[hij knielt en legt zijn hand op het gevest van zijn degen]    > WAPEN – dat hij echter niet zal gebruiken
Ik heb ‘t gezworen.                                                               > WOORD – dat niet leidt tot daden…
[hij bidt]                                                                                 > GEBEDwoorden die niet blijken te helpen

Motorisch moment: Hamlet zweert wraak 
Geen woorden, maar daden….?
Maar ja…

… dat blijkt vervolgens veel meer tijd te vragen dan gedacht…
Makkelijker gezegd dan gedaan!


Vervolgens voegen Horatio en Marcellus zich weer bij Hamlet. 


.
Hamlet:
    Er leeft geen schoelje in heel Denemarken…
                  die niet een aartsschavuit is.
Horatio:   Er hoeft geen geest uit het graf te komen
                  om ons dit mee te delen.
Hamlet:                 Ja, dat is zo;
                  en daarom lijkt het mij het beste dat wij
                  elkaar de hand schudden en heengaan; Jullie
                  naar waar je plicht of je verlangen roept –
                  want ieder mens heeft, hoe dan ook, verlangens
                  en plichten. Wat mijn arme ziel betreft,
                   ik zal gaan bidden.
Horatio:     Dat zijn maar teugelloze woorden, prins.
Hamlet:     Het spijt me dat je er door beledigd bent:
                   het spijt me oprecht.
Horatio:     Er is geen sprake van belediging.
Hamlet:     Bij Sint Patricius, ja, vriend, en een zware
                   belediging. Wat die verschijnning aangaat:
                   laat ik je zeggen dat ‘t een echte geest is.
                   Maar breidel je nieuwsgierigheid naar wat er
                   gebeurd is tussen ons. En nu, mijn vrienden,
                   willig, als studiemakkers en soldaten,                                > dualiteit: pen en papier….. wapens
                   één klein verzoek in.


Hamlet vraagt zijn vrienden vele malen om te zwijgen over alles – en om dat te zweren op zijn zwaard.

Tenslotte meldt Hamlet zijn vrienden dat hij het binnenkort wel eens nuttig kan vinden om de rol van een zonderling te spelen… Hij waarschuwt hen dus bij voorbaat om zijn spel niet per ongeluk te doorbreken…!


 zie verder > Hamlet, handelingsverloop