4. Elektra … door een gekleurde bril

! … deze pagina is nog in aanbouw … wordt vervolgd… !

Drie maal een recensie van Elektra, geschreven door Hans Oranje

klik en lees een recensie!

recensie 1       door Hans Oranje in Toneel Teatraal, december 1975       
                        voorstelling Publiekstheater, regie Ton Lutz
seizoen 1975-76

recensie 1      de zelfde recensie, hier met commentaar door Hans Holthaus (nog in aanbouw!!!)

recensie 2       door Hans Oranje in Trouw, 21 april 1992
                        voorstelling Carrousel, regie Lidwien Roothaan
seizoen 1991 – 92

recensie 3       door Hans Oranje in Trouw, 1 maart 2003
                        voorstelling Rotterdamse Schouwburg, regie Peter Sonneveld
seizoen 2002-03


RECENSIE 1 (originele versie, zonder ingevoegd commentaar !)

Recensie door Hans Oranje – Toneel Teatraal, jaargang 96, nr. 10, december 1975/76
(foto Kors van Bennekom)

Elektra als komisch muziektheater

Een zoon moet van Apollo (die niet alleen de god is van het stralende licht, maar die ook het recht tussen de mensen beschermt) zijn moeder vermoorden omdat zij, twintig jaar geleden, zijn vader met kil berekende bijlslagen om het leven heeft gebracht. Dit onbarmhartig dilemma, wel doen/niet doen, is voor de atheense tragici een dramatisch konflikt bij uitstek geweest uit hun materiaal aan mythen, waarover ze stukken schreven. Eén daarvan is de “Elektra” van Sophokles. Het is een schitterend stuk (vind ik), maar onbegrijpelijk als je van het zojuist beschreven dramatisch konflikt uitgaat: als tragedie is het een nogal ongenietbaar stuk. Het Publiekstheater heeft in de afgelopen maanden onder regie van Ton Lutz voorstellingen van het stuk gegeven. Wat nu volgt vormt geen recensie van die voorstelling, maar is bedoeld als suggestie voor een niet-tragische waardering van het stuk.

De ongenietbaarheid van de tragedie heeft deze oorzaken:

1.
De zoon (Orestes) vermoordt zijn moeder (Klytaemnestra) zonder een spoor van aarzeling of tegenzin. Het motief voor de moord is zijn verlangen in het bezit te komen van de erfenis van zijn vader. Dat hij het moet doen, omdat Apollo het wil, is in de versie van Sophokles twijfelachtig. Orestes noemt de wil van de god als sanktionering van de moord, maar hij vertelt zelf in het begin (vers 33) dat hij het orakel van de god raadpleegde, niet over de vraag of hij die moordenaars van zijn vader moest doden, maar hoe hij dat moest doen.

2.
Het plot levert geen verrassingen op. In de opening van het stuk horen we van Orestes zelf zijn sluwe plan, waardoor hij toegang zal verkrijgen tot het paleis waaruit hij als kind werd gered, uit de handen van zijn moordende moeder, door zijn opvoeder. Nu zal diezelfde opvoeder gaan vertellen dat Orestes bij de wagenrennen in Delphi om het leven is gekomen. Nergens in het stuk wordt er spanning gewekt, of dit plan lukken zal: het lukt moeiteloos. Aan het eind van het stuk, als Klytaemnestra al vermoord is, is er een lachwekkende opkomst van haar echtgenoot, Aeghistus die zo blij is over het bericht dat Orestes dood is, dat hij ongewapend en zonder lijfwacht naar het paleis komt en recht in de armen van Orestes loopt. De lachwekkendheid was toen misschien groter dan voor ons nu; immers in de hele mythencyclus over dit koningshuis en over alle drama’s over leden ervan hangt de familie van leugen en bedrog aan elkaar.

3.
De centrale figuur in het stuk is Elektra, de zuster van Orestes. Zij lijdt onder de afwezigheid van haar broer, die de enige is die hun vermoorde vader kan wreken. Als zij hoort dat Orestes dood is, treedt totale wanhoop is. Hartverscheurend is haar lijkklacht als Orestes (na zoveel jaren niet door haar herkend) haar een urn, zogenaamd met de as van haar omgekomen broer, komt brengen. De urnscène is het hoogtepunt van het stuk, Als toeschouwer springen je de tranen in de ogen. Als men nu zegt dat de Elektra een treurspel is, wordt het stuk gênant. (Orestes maakt zich bekend, broer en zus vallen elkaar in de armen, er is een uitvoerig vreugdebetoon, vervolgens wordt in de laatste 125 verzen van het stuk het “karwei” (zie vers 1373) van de dubbele moord in snel tempo gedaan zonder droefheid of rampspoed.)

Komedie

De Elektra van Sophokles is dan ook geen tragedie. Een plot, waarbij het publiek van tevoren is ingelicht over de gelukkige afloop en waarbij de verwikkelingen liefst zo ingewikkeld mogelijk worden, is een komisch plot. Dit komedie-type is effektief juist doordat het publiek de afloop kent.

Een voorbeeld: de haarlok op het graf van de vader is een zeker teken dat de wreker leeft. Maar Elektra denkt dat de lok een vervalsing is, en dat werkt als een schep zout in de wond. De toeschouwer spert die wond open, want hij kan om het misverstand lachen. De gelukkige afloop van de Elektra is de hereniging van Orestes en Elektra: haar drama beslaat 5/6 deel van het stuk (de verzen 75-1325), de wraak van Orestes de rest.

Zo bekeken is de Elektra een komedie in een tragische setting: bloedwraak (verzen 1-75 aangekondigd, 1325-1510 uitgevoerd).

Het opvallende is, dat ook deze setting, dit kader, niet tragisch is. Er wordt geen probleem van gemaakt, of je je moeder doden mag. De aanwezigen (Orestes en zijn vriend Pylades, Elektra, de opvoeder, het koor) lasten alleen grote voldoening merken, dat de “honden” krijgen wat ze al lang verdienden. De stemming zou niet anders geweest zijn als het stuk, in plaats van met de moorden, geëindigd was op de latere komedie-manier, met de bruikloft van Elektra en Pylades.

Ook kan men het stuk niet in moraliserende termen verklaren door te wijzen op uitspraken als wees niet onverstandig, bedenk dat je sterfelijk bent, driftig worden is niet goed, voor goden blijft niets verborgen. Zulke uitspraken staan in elke griekse tragedie en horen bij dat genre. De Atheners zagen jaarlijks per Dionysus-feest negen tragedies binnen drie dagen. Voor hen was het verbaal dekor, behorend bij de religieuze plechtigheid die theater toen was. Moraliseren is het stuk bewerken op een maniert, waarvan ik de zin of de aantrekkelijkheid niet erg inzie.

Het koor

Voor een voorstelling van de Elektra lijkt het mij wel aantrekkelijk, als de gespeelde tekst het plot versterkt en niet, als een soort van rem, de komische situatie op een ernstiger (of “verhevener”) niveau probeert te brengen. De vertaling van Pé Hawinkels gaat soms de goede kant op. Een uitspraak van Orestes als “wie slecht doet, slecht ontmoet” is in zijn perfekte lulligheid uitnemend vertaald.

Maar het voornaamste is het koor. Het is vóór alles nodig te vermijden wat Lutz deed, dat dit koor van meisjes uit de streek gevormd wordt door vier rondkuierende dames, die in wisselende kombinaties, en face, en dos en à quart, treurige woorden spreken onder de klanken van een soort oehoe-geroep voor fluit en drumstel. Er is van de muziek in het griekse theater wel niet veel meer over, maar het was muziektheater, waarbij het koor in de voorstelling gescheiden was van de gebeurtenissen op het toneel. Als men die twee funkties laat vervallen, breekt de tragedie goed los. Als de koristen tussen de acteurs rondscharrelen en delen in de narigheden is het resultaat: een vormeloze en nauwelijks te vormen klomp toegevoegd akteer-materiaal. Wat het koor in dit stuk dan over de gebeurtenissen op het toneel zegt, komt op je af als een opeenstapeling van onbenulligheden, wezenloos goede raadgevingen en nutteloze mee-praterij.

Het koor moet niet praten, maar zingen en dansen tegelijk. Het wisselend ritme van theatrale dramatiek (de gesproken passages van de akteurs) en muzikale show (het koor) levert als resultaat (als het goed gaat) een totaal van toneel-sensatie, waarin fysieke en verstandelijke beleving niet gescheiden zijn. Als het koor bezig is, staat het plot stil. Funkties van koorliederen zijn: troosten, opzwepen, bedaren, angst oproepen, en meer, in een sterk op de muziek en de dans gericht optreden. In de Elektra is die funktie, lijkt mij, om de machteloosheid van Elektra zo schrijnend mogelijk te maken. De triviale teksten van het koor maken pas in echt muziek-theater een komisch spektakel. Om hieraan vorm te geven, zou wellicht een heel theater-kollektief aan het werk moeten. Op die manier is er mogelijk eens een voorstelling van de Elektra te maken, die geen boodschap meegeeft, geen tragisch levensgevoel openbaart, maar voor een korte tijd al onze zintuiglijke mogelijkheden heftig beroert.

Opmerkingen:

1.
Het oordeel over Sophocles’ Elektra valt in het algemeen vrij negatief uit; representatief is het oordeel van de Budé-uitgevers Dain/Mazon: “Electre est sous doute de toutes les pièces conservées de Sophocle celle qui au fond nous touché le moins. Cela tient-il à ce que le sujet a pour nous de brutal ou de répugnant? Certainement non, puisqu’ Eschyle a su tirer du même thème un indiscutable chef-d’œuvre. Cela tient bien plutôt á ce que Sophocle semble n’y avoir vu pour lui qu’on prétexte à déployer sa virtuosité sans y mettre beaucoup de lui-même.”

2.
Aan Sophokles’ Elektra als voorloper van de nieuwe komedie zijn enkele bladzijden gewijd door Wolf H. Friedrich, “Euripidesd und Diphilos. Zur Dramaturgie des Spätformen.” München 1953, pp. 150-153.


 

RECENSIE 1  ( !  hier wordt nog gewerkt aan ingevoegd commentaar van Holthaus ! )

Recensie door Hans Oranje – Toneel Teatraal, jaargang 96, nr. 10, december 1975/76
(foto Kors van Bennekom)

Elektra als komisch muziektheater

Een zoon moet van Apollo (die niet alleen de god is van het stralende licht, maar die ook het recvht tussen de mensen beschermt) zijn moeder vermoorden omdat zij, twintig jaar geleden, zijn vader met kil berekende bijlslagen om het leven heeft gebracht. Dit onbarmhartig dilemma, wel doen/niet doen, is voor de atheense tragici een dramatisch konflikt bij uitstek geweest uit hun materiaal aan mythen, waarover ze stukken schreven. Eén daarvan is de “Elektra” van Sophokles.

Volkomen onjuist! Oranje haalt uit het niets een ‘onbarmhartig dilemma” van Orestes tevoorschijn en roept vervolgens als vanzelfsprekend … dat “Elektra” één van de stukken is die daarover gaat…! Maar hoezo dan? Wanneer een stuk de titel “Chrysothemis” zou hebben, of’ ” In alle beginnende regeltjes die Oranje hier schrijft over dit stuk, komt de naam van Elektra niet één keer voor – en vervolgens (xxxx  wordt vervolgde) Waarom zou ook dit drama (met de titel “Elektra”!) zomaar over dát dilemma gaan? A priori!?! Orestes heeft hier geen enkel dilemma! Integendeel: door zijn handige aanpak bezorgt hij juist zijn zus een dilemma! Misschien is het dan daarom dat de titel van dit stuk niet Orestes is, maar…. Elektra!

Het is een schitterend stuk (vind ik), maar onbegrijpelijk als je van het zojuist beschreven dramatisch konflikt uitgaat

Dat is maar al te waar: het zal inderdaad onbegrijpelijk zijn voor wie van dat – onjuiste – conflict uit gaat, want dan is er niets te vinden – en dat is ook niet de bedoeling…!

: als tragedie is het een nogal ongenietbaar stuk. Het Publiekstheater heeft in de afgelopen maanden onder regie van Ton Lutz voorstellingen van het stuk gegeven. Wat nu volgt vormt geen recensie van die voorstelling, maar is bedoeld als suggestie voor een niet-tragische waardering van het stuk

De ongenietbaarheid van de tragedie heeft deze oorzaken:

1.
De zoon (Orestes) vermoordt zijn moeder (Klytaemnestra) zonder een spoor van aarzeling of tegenzin. Het motief voor de moord is zijn verlangen in het bezit te komen van de erfenis van zijn vader. Dat hij het moet doen, omdat Apollo het wil, is in de versie van Sophokles twijfelachtig. Orestes noemt de wil van de god als sanktionering van de moord, maar hij vertelt zelf in het begin (vers 33) dat hij het orakel van de god raadpleegde, niet over de vraag of hij die moordenaars van zijn vader moest doden, maar hoe hij dat moest doen.

2.
Het plot levert geen verrassingen op. In de opening van het stuk horen we van Orestes zelf zijn sluwe plan, waardoor hij toegang zal verkrijgen tot het paleis waaruit hij als kind werd gered, uit de handen van zijn moordende moeder, door zijn opvoeder. Nu zal diezelfde opvoeder gaan vertellen dat Orestes bij de wagenrennen in Delphi om het leven is gekomen. Nergens in het stuk wordt er spanning gewekt, of dit plan lukken zal: het lukt moeiteloos. Aan het eind van het stuk, als Klytaemnestra al vermoord is, is er een lachwekkende opkomst vazn haar echtgenoot, Aeghistus die zo blij is over het bericht dat Orestes dood is, dat hij ongewapend en zonder lijfwacht naar het paleis komt en recht in de armen van Orestes loopt. De lachwekkendheid was toen misschien groter dan voor ons nu; immers in de hele mythencyclus over dit koningshuis en over alle drama’s over leden ervan hangt de familie van leugen en bedrog aan elkaar.

3.
De centrale figuur in het stuk is Elektra, de zuster van Orestes. Zij lijdt onder de afwezigheid van haar broer, die de enige is die hun vermoorde vader kan wreken. Als zij hoort dat Orestes dood is, treedt totale wanhoop is. Hartverscheurend is haar lijkklacht als Orestes (na zoveel jaren niet door haar herkend) haar een urn, zogenaamd met de as van haar omgekomen broer, komt brengen. De urnscène is het hoogtepunt van het stuk, Als toeschouwer springen je de tranen in de ogen. Als men nu zegt dat de Elektra een treurspel is, wordt het stuk gênant. (Orestes maakt zich bekend, broer en zus vallen elkaar in de armen, er is een uitvoerig vreugdebetoon, vervolgens wordt in de laatste 125 verzen van het stuk het “karwei” (zie vers 1373) van de dubbele moord in snel tempo gedaan zonder droefheid of rampspoed.)

Komedie

De Elektra van Sophokles is dan ook geen tragedie. Een plot, waarbij het publiek van tevoren is ingelicht over de gelukkige afloop en waarbij de verwikkelingen liefst zo ingewikkeld mogelijk worden, is een komisch plot. Dit komedie-type is effektief juist doordat het publiek de afloop kent.

Dat is een dubbele fout. Kennisvoorsprong wordt evenzeer toegepast in alle genres en stijlen, van tragedie tot komedie tot klucht. En uitgerekend bij de Griekse tragedie is kennisvoorsprong van het publiek bij voorbaat onvermijdelijk en zelfs gewenst: het publiek ziet een vertoning van een mythologisch verhaal, dat bij iedereen bekend was: alle duizenden toeschouwers in het theater kennnen de vertoonde mythes en verhalen van haver tot gort al sinds hun kind zijn! Zoies zou toch uitgerekend een klassieke-kenner als Hans van Oranje moeten weten? En bekendheid van de afloop maakt toch ook de Oresteia niet tot komedie?

(  >  dramatische ironie !!!!! )

Een voorbeeld: de haarlok op het graf van de vader is een zeker teken dat de wreker leeft. Maar Elektra denkt dat de lok een vervalsing is, en dat werkt als een schep zout in de wond. De toeschouwer spert die wond open, want hij kan om het misverstand lachen.

Maar waarom zou het publiek hier dan eigenlijk lachen? Dat is een onjuiste, ‘hinein-interpretier-conclusie’. Het publiek heeft inderdaad een kennisvoorsprong, maar zoiets is niet per definitie lachwekkend. Integendeel zelfs! Het publiek leeft mee met de positieve protagonist, wier lijden hier een extra klap krijgt door de “informatie”, waarvan het publiek weet dat die onjuist is – en het navrante is dat het publiek niets liever zou willen dat dan Elektra de juiste informatie direct zou krijgen. Maar dat zal voorlopig niet lukken: het “slimme plan” van Orestes, bedoeld om haar te helpen, heeft een averechts effect op haar. – en dat volgt de toeschouwer de gehele voorstelling. Sophokles stuurt haar nog verder het dal in, met dat dodelijke perspectief. Het publiek weet wel beter, maar dat ongemak vergroot juist het medeleven met de onschuldig getroffen Elektra, zoals de kinderen bij de poppenkast meeleven met Jan Klaassen, en hem luidkeels maar tevergeefs toeroepen dat de boef nu récht achter hem staat – totdat Jan het controleert … want dan is de boef net weer eventjes weg. (Een komiusche variant, inderdaad). (wordt vervolgd)

De gelukkige afloop van de Elektra is de hereniging van Orestes en Elektra: haar drama beslaat 5/6 deel van het stuk (de verzen 75-1325), de wraak van Orestes de rest.

Zo bekeken is de Elektra een komedie in een tragische setting: bloedwraak (verzen 1-75 aangekondigd, 1325-1510 uitgevoerd).

(verder commentaar volgt nog, HHo)

Het opvallende is, dat ook deze setting, dit kader, niet tragisch is. Er wordt geen probleem van gemaakt, of je je moeder doden mag. De aanwezigen (Orestes en zijn vriend Pylades, Elektra, de opvoeder, het koor) lasten alleen grote voldoening merken, dat de “honden” krijgen wat ze al lang verdienden. De stemming zou niet anders geweest zijn als het stuk, in plaats van met de moorden, geëindigd was op de latere komedie-manier, met de bruikloft van Elektra en Pylades.

Ook kan men het stuk niet in moraliserende termen verklaren door te wijzen op uitspraken als wees niet onver-standig, bedenk dat je sterfelijk bent, driftig worden is niet goed, voor goden blijft niets verborgen. Zulke uitspraken staan in elke griekse tragedie en horen bij dat genre. De Atheners zagen jaarlijks per Dionysus-feest negen tragedies binnen drie dagen. Voor hen was het verbaal dekor, behorend bij de religieuze plechtigheid die theater toen was. Moraliseren is het stuk bewerken op een maniert, waarvan ik de zin of de aantrekkelijkheid niet erg inzie.

(verder commentaar volgt nog, HHo)

Het koor

(verder commentaar volgt nog, HHo)

Voor een voorstelling van de Elektra lijkt het mij wel aantrekkelijk, als de gespeelde tekst het plot versterkt en niet, als een soort van rem, de komische situatie op een ernstiger (of “verhevener”) niveau probeert te brengen. De vertaling van Pé Hawinkels gaat soms de goede kant op. Een uitspraak van Orestes als “wie slecht doet, slecht ontmoet” is in zijn perfekte lulligheid uitnemend vertaald.

Maar het voornaamste is het koor. Het is vóór alles nodig te vermijden wat Lutz deed, dat dit koor van meisjes uit de streek gevormd wordt door vier rondkuierende dames, die in wisselende kombinaties, en face, en dos en à quart, treurige woorden spreken onder de klanken van een soort oehoe-geroep voor fluit en drumstel. Er is van de muziek in het griekse theater wel niet veel meer over, maar het was muziektheater, waarbij het koor in de voorstelling gescheiden was van de gebeurtenissen op het toneel. Als men die twee funkties laat vervallen, breekt de tragedie goed los. Als de koristen tussen de acteurs rondscharrelen en delen in de narigheden is het resultaat: een vormeloze en nauwelijks te vormen klomp toegevoegd akteer-materiaal. Wat het koor in dit stuk dan over de gebeurtenissen op het toneel zegt, komt op je af als een opeenstapeling van onbenulligheden, wezenloos goede raadgevingen en nutteloze mee-praterij.

(verder commentaar volgt nog, HHo)

Het koor moet niet praten, maar zingen en dansen tegelijk. Het wisselend ritme van theatrale dramatiek (de gesproken passages van de akteurs) en muzikale show (het koor) levert als resultaat (als het goed gaat) een totaal van toneel-sensatie, waarin fysieke en verstandelijke beleving niet gescheiden zijn. Als het koor bezig is, staat het plot stil. Funkties van koorliederen zijn: troosten, opzwepen, bedaren, angst oproepen, en meer, in een sterk op de muziek en de dans gericht optreden. In de Elektra is die funktie, lijkt mij, om de machteloosheid van Elektra zo schrijnend mogelijk te maken. De triviale teksten van het koor maken pas in echt muziek-theater een komisch spektakel. Om hieraan vorm te geven, zou wellicht een heel theater-kollektief aan het werk moeten. Op die manier is er mogelijk eens een voorstelling van de Elektra te maken, die geen boodschap meegeeft, geen tragisch levensgevoel openbaart, maar voor een korte tijd al onze zintuiglijke mogelijkheden heftig beroert.

(verder commentaar volgt nog, HHo)

Opmerkingen:

1.
Het oordeel over Sophocles’ Elektra valt in het algemeen vrij negatief uit; representatief is het oordeel van de Budé-uitgevers Dain/Mazon: “Electre est sous doute de toutes les pièces conservées de Sophocle celle qui au fond nous touché le moins. Cela tient-il à ce que le sujet a pour nous de brutal ou de répugnant? Certainement non, puisqu’ Eschyle a su tirer du même thème un indiscutable chef-d’œuvre. Cela tient bien plutôt á ce que Sophocle semble n’y avoir vu pour lui qu’on prétexte à déployer sa virtuosité sans y mettre beaucoup de lui-même.”

2.
Aan Sophokles’ Elektra als voorloper van de nieuwe komedie zijn enkele bladzijden gewijd door Wolf H. Friedrich, “Euripidesd und Diphilos. Zur Dramaturgie des Spätformen.” München 1953, pp. 150-153.


RECENSIE 2 (zonder commentaar)

Recensie door Hans Oranje – Trouw, 21 april 1992

Roothaan neemt met polemische ‘Electra’ afscheid van Carrousel

Het is opvallend dat in de opvoeringstraditie van de Griekse tragedie altijd weer de voorkeur wordt gegeven aan de ‘Electra’ van Sophocles boven het gelijknamige stuk van Euripides.

Ook Lidwien Roothaan, artistiek leider van Theatergroep Carrousel, koos voor haar afscheidsvoorstelling (zij vertrekt naar Toneelgroep Amsterdam) voor de versie die Sophocles heeft gegeven van de wraakmoord door Orestes op zijn moeder, Clytaemnestra, en haar echtgenoot Aegisthus, nadat dezen jaren daarvoor zijn vader, Agamemnon, zegevierende veldheer van de Grieken bij Troje, bij zijn thuiskomst in de badkamer hadden afgeslacht. ‘Zoals men een koe bij de voedertrog doodt’, zoals Homerus het uitdrukt.

De plot van een Electra-tragedie bevat drie elementen: terugkeer, bevrijding en wraak. Terugkeer: prins Orestes keert, volwassen geworden, terug uit het buitenland, waarheen hij in veiligheid was gebracht om aan executie door zijn aanstaande stiefvader te ontkomen, en eist de hem rechtmatig toekomende troon en het bezit van zijn vader op. Bevrijding: hij bevrijdt zijn zusje Electra uit haar vernederende positie, waarin zij moet leven met een overspelige moeder en de gehate usurpator, die uit is op de dood van haar broer en haarzelf een passende echtgenoot ontzegt. Wraak: de twee misdadigers worden door de herenigde broer en zus ter dood gebracht.

Sophocles legt het volle gewicht van zijn stuk op de vreugdevolle elementen terugkeer en bevrijding. Orestes weet tot Clytaemnestra door te dringen, doordat de oude oppasser, die hem destijds uit het paleis heeft gesmokkeld, haar het verhaal komt opdissen dat haar zoon bij de wagenrennen in Delphi is verongelukt. Orestes en zijn vriend Pylades brengen de urn met de as en geven die aan Electra. Op haar dodenklacht, de beroemde ‘urnscene’, maakt Orestes zich aan haar bekend, en een laaiend-pathetische begroeting volgt. Het is in feite het juichende slotkoor van de tragedie. Daarna wordt zonder omhaal van woorden de moeder vermoord, en vlak na haar Aegisthus, die blij naar huis komt, wanneer hij hoort dat Orestes dood is.

Nachtmerrie

In de ‘Electra’ van Sophocles is geen spoor te bekennen van de bange vraag die het stuk van Euripides beheerst: of je wel om wat dan ook je eigen moeder mag vermoorden, zelfs als een god (Apollo) je dat beveelt. Bij deze laatste schrijver slaat de terugkeer om in ballingschap, de bevrijding in achtervolging door de wraakgeesten van de vermoorde moeder, de wraak in een nachtmerrie. Bij Sophocles vuurt Electra haar broer aan, wanneer hij zijn moeder met zijn zwaard heeft neergemaaid: ‘Sla nog eens, als je kunt!’

Ik vind het inderdaad opvallend dat bij de ‘Electra’ altijd weer voor Sophocles gekozen wordt, deze oudgriekse ‘Dynasty’, waarin geld en kille familiepolitiek voor de conflicten zorgen. Dat bedoel ik natuurlijk badinerend: geen bodeverhaal is zo opwindend als het leugenverhaal over Orestes’ ongeluk; geen hartverscheurender verdriet dan dat van Electra met de urn in haar handen. Maar het is wel soap.

Daarom heb ik enorme bewondering voor de regie van Roothaan, die polemisch stelling neemt tegen alle tranenovergoten tragiek waarin Sophocles’ ‘Electra’ gewoonlijk wordt gedompeld. De proloog zet de toon: Orestes (Ronald de Bruin) en Pylades (Jobst Schnibbe), met felgekleurde luierbroekjes over hun Minoische boxershorts en met parmantige jasjes met veel bloot daartussen, maken hun opwachting bij het paleis, in gezelschap van de oude oppasser; Electra hoort dit gesprek aan op het toneel! Ergo: die hele urnscene, al haar smart is fake: zij weet vanaf het begin dat Orestes terug is en speelt heel knap het spelletje mee.

Iets dergelijks zien we in het bodeverhaal. Theo de Groot jaagt het verhaal erdoor, en bij de spannendste momenten, wanneer je pauzes en opvoeren van de spanning verwacht, raffelt hij bijna onverstaanbaar zijn relaas af. Immers, Clytaemnestra zal zijn leugens toch accepteren en de vreemdelingen in haar boudoir ontvangen voor de genadeslag.

Mooi

Daarmee zijn de moorden die in deze ‘Electra’ worden gepleegd, een ritueel dat we uitvoeren omdat het mooi is en omdat het een mythe is. Ook voor Sophocles en zijn publiek was het een mythe, een verhaal dat je op allerlei manieren kunt vertellen, en dat komt mooi tot uitdrukking in de kostuums van Rien Bekkers. Want niet alleen de boxershorts van de twee vrienden, maar alle kleding verwijst door de geometrische patronen of de kleuren naar de Minoische beschaving van duizend jaar daarvoor.

In de versie van Sophocles is het ook een kil ritueel van een in koelen bloede bedreven moord. De zuilen van rose marmer, het fel rode, groene en witte marmer van het paleis, de rechthoekige vijver van glas in het midden zijn ijskoud: een prachtig decor van Floor Oskam.

Wraakhond

In de voorstelling is Electra dus, anders dan bij Sophocles, vanaf het begin aanwezig. Debby Korper heeft van haar een fascinerend onvermoeibare wraakhond gemaakt, die weet dat zij de triomf zal behalen. Haar verdriet en haar wanhoop, haar van ontzetting wijd geopende mond, het lijken allemaal voorgeschreven rituele handelingen die hun bekroning moeten vinden in de dubbele moord. De woordenstrijd met haar zusje Chrysothemis (Saskia Temmink) is een strijd met argumenten die zo ver achter haar liggen, dat er van een werkelijk dilemma geen sprake is. Ook haar broertje lijkt meer een nuttig instrument dan ‘de liefste mens die ik had’, zoals zij hem noemt in de urnscene (in de uitstekend lopende vertaling van Gerard Koolschijn). Als hij zich aan haar bekendmaakt, staat ze achter een pilaar en doet ze geen moeite te kijken naar deze geliefde; ze weet wel dat hij het is, en de zegelring van haar vader die hij haar laat zien, heeft ze niet nodig als bewijs.

Het koor van vriendinnen, hier vertolkt door een, Juul Vrijdag, heeft geen echte rol meer in dit stuk en ook in de voorstelling niet: versiering van het decor en van de handeling, maar wel sterk aanwezig. Het korte optreden aan het slot van Victor Low als Aegisthus, die wat schaapachtig lacht en onnozel sterft, onderstreept overtuigend dat Carrousel tragische grootheid aan deze tragedie vreemd acht.


RECENSIE 3 (zonder commentaar)

Hans Oranje – in Trouw, 1 maart 2003

Nu hoef je nooit meer bang te zijn

Peter Sonneveld beschikt over de gave, deelt het persbericht mee, de toeschouwer mee te slepen in een wereld van (kleine) emoties en (groot) gevoel. Dit is de komende tijd te bekijken in zijn regie van de Oudgriekse tragedie ‘Electra’ van Sophocles. De voorstelling wordt uitgebracht door de Rotterdamse Schouwburg zelf in een zeer kleine bezetting.

Eigenlijk zijn alleen de vier familieleden overgebleven: Electra, de dochter die nog steeds treurt om de moord op haar vader door haar moeder en blijft hopen dat haar broer Orestes uit ballingschap zal terugkeren om zijn vader te wreken, Marike van Weelden. De andere dochter, Chrysothemis, die vindt dat je je bij de gegeven machtsverhoudingen moet neerleggen, Caroline Almekinders. De moeder, Martine Crefcoeur. En ten slotte Orestes, die inderdaad deze dag terugkeert en zijn moeder vermoordt, Jeroen Spitzenberger.

De voorstelling wordt daardoor een op het scherp van de snede opererend onderzoek naar familierelaties, een debat over goed en kwaad tussen ouders en kinderen, en kinderen onderling. Voeg daarbij de uiterst zorgvuldige tekstbehandeling van Sonneveld en zijn acteurs, en je hebt een anderhalf uur durend steekspel waar je geboeid naar kijkt en luistert. Het is daarbij een onthutsende ontdekking dat de vertaling van Pé Hawinkels die gebruikt wordt en nu goed een kwarteeuw oud is, al sterk de sporen van slijtage vertoont. Wat is vertalen van drama toch ondankbaar werk.

De keerzijde van Sonnevelds aanpak is dat het stuk een zwaarte krijgt, die het niet verdient. Hoewel een van Sophocles’ meest geliefde en gespeelde tragedies, is zijn ‘Electra’ toch een beetje akelig stuk: het aplomb waarmee Orestes zijn moeder vermoordt, de kijvende hoon waarmee Electra de moord begeleidt, het totaal ontbreken van reflectie op de toelaatbaarheid van moedermoord, zijn de grote dichter eigenlijk onwaardig. Ikzelf houd het erop dat hij een tragikomedie in de stijl van zijn confrater Euripides heeft willen schrijven en in deze opzet deerlijk is mislukt. Daardoor duwt de befaamde scène waarin Electra rouwt, de urn met daarin de (vermeende) as van haar omgekomen broer in de handen (‘lichte leegte…’), dikke proppen door de kelen van de toeschouwers.

Een aardig voorbeeld van hoe Sonneveld met kleine emoties en grote gevoelens omgaat, vinden we aan het slot. Sophocles (en Hawinkels) laten Orestes daar tegen Electra zeggen: ,,Je hoeft nu nooit meer bang te zijn, dat je moeders verwatenheid je zal vernederen.” En wat doet onze Orestes hier? Met de juist door hem doorstoken moeder loopt hij naar voren, legt haar op de grond, strijkt de haren langs haar dode wangen glad en zegt tegen haar: ,,Nu hoef je nooit meer bang te zijn.” Punt, stilte: als dat geen groots moment is! Alleen: het is een principe van toneel maken, volgens welk ook Goede Tijden Slechte Tijden werkt: de kitsch ligt als de valse kat achter de deur op je te wachten. En springt snauwend op ons af als de voorstelling vervolgens eindigt met brekende muziek: ‘Mein Gott, mein Gott, warum hast du mich verlassen?’

Hier ging een door eigen emoties (in prachtig strijklicht en fraaie pianoklanken, dat wel) opgeroepen tragedie met haar makers aan de haal. Het was, ik zeg het nog maar eens, wél genieten, ook omdat Crefcoeur zo’n prachtige Klytaemestra speelt, en Spitzenberger in stemvoering, gezichtuitdrukking, ja zelfs in die kleine kraak in de keel machtig veel doet denken aan de jonge Cas Enklaar. En dat is, van mij tenminste, een zéér groot compliment.

zie verder >> Elektra… en haar klasgenoten!