1. De drie startvragen van Elektra

De startvragen….

Is hier sprake van aristotelisch drama?
Wie is de protagonist?
Waaruit bestaat het lijden van de protagonist?
.

Is hier sprake van aristotelisch drama?

Laten we de eerste startvragen – kort maar krachtig – beantwoorden: gaat het hier om een aristotelisch dra­ma… en waaruit bestaat dan de kat­har­sis? Laten we zeggen…..

‘Elektra’ kan worden gerekend tot het aristotelisch drama: op het einde zegeviert
de gerechtigheid – de moor­denaars worden ge­straft en de beklagenswaardigen
in hun eer hersteld. Een goede af­loop voor ‘onze’ positieve pro­ta­go­nist Elektra.
Eerst is zij het slachtof­fer, maar uit­eindelijk krijgt zij haar zin. Haar stand­punt
wordt geho­no­reerd, haar (én daarmee onze!) normen en waarden zege­vieren,
wanneer uit­einde­lijk – dankzij de goden – de gerech­te wraak wordt voltrok­ken: kat­har­sis!

Bovenstaande tekst staat (inderdaad!) bol van subjectieve oordelen. Dat zijn normen en waarden nu eenmaal: ze laten zich niet her­leiden tot objectieve, wiskundige formules. Maar wan­neer mogen we spreken van gerechtigheid en eer? Wat maakt iemand tot een moordenaar die straf verdient – en een ander tot een slacht­offer dat beklagenswaardig is? Het staat iedereen immers vrij daar anders over te denken: dan is Elektra desnoods een irri­tante aanstel­ster, en doet Orestes zelfs meer dan wat hij anderen ver­wijt: hij pleegt maar liefst twee moorden, zich beroe­pend op wraak.­..

Kortom: hoe kunnen weten we dat Elektra gelijk heeft… en dat Sopho­cles dat gelijk ondersteunt… en dat wij geacht worden die mening te delen? Er is slechts één antwoord, zoals zal blijken: omdat So­pho­cles het gelijk van Elektra… als zodanig pre­sen­teert!

We hebben hier niet te maken met werkelijke gebeurtenissen, die we zelf vrij kunnen onderzoe­ken en beoordelen. We zijn afhanke­lijk van het mate­riaal, zoals So­pho­cles ons dat aanle­vert. Wij moeten en kunnen de schrijver daarom betrappen op hoe hij het verhaal ver­telt!

Om te beginnen schuift So­pho­cles een hoofdpersoon naar voren: per definitie een kunstgreep ten opzichte van de werkelijk­heid – want de werkelijkheid kent geen hoofdpersonen. Dat Elektra hier de (positieve) pro­ta­go­nist is, komt hierna uitgebreid aan de orde. Ondertussen kan ieder zich voorlopig wel bedenken dat een stuk om dat dient om ‘het gelijk van Clytaemestra’ aan te tonen, dat maar beter totaal anders had kunnen doen.

Elektra komt in dit stuk met haar gelijk behoorlijk aan haar trekken. Haar broer Orestes, de peda­goog en Pylades ver­­lenen haar alle mede­wer­king. Ook Chrysothemis, die als haar zuster in dezelfde geschiedenis staat, spreekt haar niet tegen, al trekt ze andere con­clu­sies: 

Ja, ik weet best hoe deze hele zaak
ook mij doet lijden. Had ik maar de macht,
ik liet hen blijken wat ik van hen denk. (vs. 332 e.v.)

Ook het koor tenslotte, laat over het gelijk van Elektra geen twijfel bestaan. De wereld die So­pho­cles ons toont, is het met Elektra eens – behalve Cly­taem­es­tra en Aeghistus uiter­aard. Deze twee, voornamelijk in de persoon van Clytaemestra, verwe­ren zich tegen de beschuldigingen, maar krijgen bij So­pho­cles weinig kans. Zij roepen dat Agamemnon zichzelf hun wraak op de hals heeft gehaald door dochter Iphigeneia te offeren. Cly­taem­es­tra stelt dat hij dat slechts deed voor zijn broer Menelaos, die wat haar betreft beter zijn eigen kinderen had kunnen offeren. Elektra be­strijdt omstandig deze visie op het offe­ren van haar zuster:

(…) Zonder dat
was ‘t Griekse leger nooit meer weggeraakt
naar huis toe of naar Ilion. En zo
gaf hij uit dwang, na lang verzet, zijn kind,
hoe node ook. Doch niet voor Menelaos! (vs. 573 e.v.)

Cly­taem­es­tra heeft geen weerwoord en dreigt ermee dat Aeghi­stus Elektra wel eens mores zal leren – een matig argument. Dat Cly­taem­es­tra een gerechte wraak opgeeft als motief voor de moord op Agamemnon, wordt nogal ver­troebeld door een minder edele factor, die nauwelijks bijkomstig kan worden ge­noemd: toen Agamemnon terugkeerde, deelde zij reeds jarenlang de heer­schap­pij én het bed met Aeghi­stus. De thuis­komst van de heer des huizes kwam beide minnaars dus wel erg ongele­gen…

De uitkomst van dit debat – door niemand anders dan So­pho­cles in elkaar gestoken – moet wel zijn:

  • Agamemnon was gedwongen een offer te brengen in het alge­meen be­lang,
  • Cly­taem­es­tra vermoordde Agamemnon uit vrije wil en in haar eigen belang.
Theater in Epidaurus
Theater in Epidaurus

Tot nog toe gaat het om een interne discussie tussen ‘slechts’ de per­so­na­ges in het stuk, al is het duidelijk in welke rich­ting So­pho­cles daarmee het publiek dwingt. Maar daar laat hij het niet bij. Hij legt nadrukkelijk een ver­binding met de actuele werkelijkheid van het griekse publiek – en met de bron van normen en waarden daarin: de godenwereld. Regel­matig wordt bijvoor­beeld Dikè, godin van het recht, in stelling gebracht. Maar vooral blijkt de bemoeienis van de goden uit het feit, dat Orestes niet op eigen houtje handelt, maar in opdracht van de god Apollo (= Phoebus):

.
Toen ik te Delphi in ‘t orakeloord
kwam vragen hoe ik op de moordenaars
van vader een gerechte wraak zou nemen,
was Phoebus’ antwoord wat ik hier herhaal:
ik moest, zonder een schild of legermacht,
door listig opzet, heimelijk, alleen,
met eigen hand gerechte moord voltrekken. (vs. 32 e.v.)

Wanneer hij in deze opdracht slaagt is dat niet zomaar een ‘per­soonlijk succes’, maar juist een godde­lijke bevestiging van het gelijk van Elektra. Zo legt So­pho­cles de ethische vraag binnen het stuk langs een objectieve meetlat daarbui­ten: want diezelfde goden bestaan ook in de werkelijke wereld van de toeschouwers – als bron van normen en waarden.

Het publiek mag uiteindelijk een oordeel vellen over die goddelijke gerechtigheid. Moeilijk is dat niet: kennelijk leiden juist deze nor­men en waarden tot een goede af­loop… voor wie ze respec­teert! Deze goddelijke bron van normen en waarden is geheel van­zelf­spre­kend voor So­pho­cles – en voor al zijn per­so­na­ges! Cly­taem­es­tra ver­trouwt dan ook op dezelfde god als haar tegen­standers Orestes en Elektra, en zij wil die god gun­stig stem­men met een offer:

Wat ik vannacht als vage schijnsels zag
van bleke dromen, god Apollo, breng
het in vervulling als ‘t mij gunstig is.
Zijn ‘t boze tekens, keer ze op de vijand.
(…)
Apollo god, verhoor genadig ons
en geef ons allen waar wij u om smeken. (vs. 644 e.v.)

De goddelijke gerechtigheid zelf staat niet ter dis­cus­sie: alle per­so­na­ges geven uiteindelijk die ene god, Apollo,  het laat­ste woord! De mense­lijke strijd be­treft uit­sluitend de vraag wie aan deze god zijn gelijk mag ontlenen – en of dat ook wat oplevert voor het aardse leven. Dat alles blijkt geregeld.

De goden van Elektra zijn in onze tijd inmiddels verdwenen – en vormen niet de kern van onze hedendaagse normen en waarden. Daarom moeten wij de ver­onderstellingen van So­pho­cles op dat gebied achterhalen, om de (kennelijk) door hem beoogde kat­har­sis te herkennen. De ‘rechtvaardigheid’ heeft sinds de oude Grieken onge­twijfeld een andere invulling gekregen, maar is niet uitgestorven. Ook zonder geloof in deze goden zal een heden­daags publiek de afloop van ‘Elektra’ wel als ‘goed’ ervaren.

Des te merkwaardiger dat we nauwe­lijks pro­blemen hebben met de wijze waarop het recht zich hier vol­trekt: deze is abso­luut in strijd met onze hedendaagse normen en waar­den. Omwille van één moord… pleegt Orestes er maar liefst twéé! Dat druist in tegen alles wat de huidige westerse wereld aan rechtvaardig­heid in wetten heeft vastge­legd. Ons is het verbo­den om voor eigen rechter te spelen, welke god daar ook aan te pas moge komen. Wraak is geen legitiem argument voor welk ge­weld dan ook. De dood­straf is afge­schaft, dan wel zeer om­stre­den. Maar in zijn laatste tekst levert Orestes daar juist een pleidooi voor: 

En was de dood onmiddellijk de straf
voor wie het waagt de wetten te overtreden,
er zouden heel wat minder schoften zijn. (vs. 1505 e.v.)

Kennelijk accepteren we Orestes’ eigenmachtig en bloedig op­treden tegen de achtergrond van zijn tijd. Boven­dien: de wraak zelf mag dan wel afge­schaft en verboden zijn, maar wraak-gevoelens zijn dat aller­minst, en leven tot op heden in ons voort.

Theater in Epidauros
Theater in Epidauros

 

Wie is de protagonist?

Dat in Elektra het gelijknamige per­so­na­ge pro­ta­go­nist is, zal vrijwel niemand verbazen. Wie het stuk onbevangen tegemoet treedt, kan zich nauwelijks aan dat idee onttrekken. Toch zul­len we onze keuze moeten onderbou­wen met meer dan alleen onze intuïtie. Want waarom – roept iemand – zou bij­voorbeeld Aeghi­stus geen pro­ta­go­nist zijn? Hij is in het drama toch het enige per­so­na­ge, dat niets dan ellende meemaakt? En in een recensie van Nederlandse voorstelling van Elektra werd ooit juist Orestes (al te) vanzelfsprekend als hoofdpersoon naar voren geschoven, maar daarover later (zie hoofdstuk 4) Kortom, wat heeft Elektra, wat de anderen niet hebben?

Het belang van de titelrol krijgt overduidelijk gestalte in de omvang daarvan. In vs. 77 horen we reeds de stem van Elektra, die kort daarna verschijnt en… nooit meer van het toneel verdwijnt! Zij is het enige per­so­na­ge dat tot het eind onafgebro­ken op het toneel aanwezig is. Bovendien heeft zij verreweg de meeste tekstregels, met welk record zij de overige per­so­na­ges ver achter zich laat.

Niet alleen kwantitatief eist Elektra de meeste aandacht op. We krijgen vooral het idee, dat we haar het beste kunnen volgen: So­pho­cles schept daar­toe dan ook gele­gen­heid. Elektra krijgt ruimschoots de tijd om haar inner­lijk leven te etale­ren, zoals in haar dialo­gen met het koor. Die kans krijgt uit­sluitend Elektra. Háár emoties wor­den daar breed uitge­meten: van diepste droefe­nis tot opper­ste vreug­de.

Bovendien wordt Elektra van meet af aan geplaatst in de posi­tie van underdog, waar we als publiek nogal snel een zwak voor hebben. Zij kiest voor haar principes, ondanks het ellendige leven, dat daar het gevolg van is. Ze wordt uitgestoten door haar fami­lie, heeft weinig bewe­gingsvrij­heid en wordt bedreigd met nog minder. Ze moet het stellen zonder man of kinderen. Ondanks al die ellen­de, kiest ze­ toch voor haar principes.

Als publiek krijgen we alle aanleiding om met Elektra mee te leven in haar ongelijk­waar­dige po­si­tie in het wel­les-nie­tes-spel met haar moe­der. Cly­taem­es­tra ontleent haar over­macht niet aan enig ge­lijk, maar domweg aan haar macht. Zo leeft het onrecht rustig voort, terwijl het recht verkom­mert.

So­pho­cles doet er alle moeite voor, om onze aandacht uit­sluitend te richten op Elektra als pro­ta­go­nist. We kunnen ons wellicht bedenken dat Orestes en Chry­so­the­mis even­goed kinderen van de vermoorde Agamemnon zijn – maar een verge­lijkbaar leed sprei­den broer en zus hier niet ten toon. En Orestes ondervindt hier geen enkel pro­bleem aan het vermoorden van zijn moe­der. Dat probleem… vormt het lijden van een andere trage­die (… een trilogie zelfs, geheel naar hem vernoemd!)

In al deze kwaliteiten wordt Elektra door geen van de andere per­so­na­ges overtroffen. Sophocles schuift haar meters naar voren, richting publiek. Wat haar uiteindelijk dan werkelijk tot pro­ta­go­nist maakt, is het feit dat we uit­slui­tend in haar geval een lij­den kunnen formule­ren, dat voldoet aan alle eisen rond het han­de­lings­ver­loop – zoals de analyse moet en zal bevesti­gen.

KLIK hieronder voor enkele affiches van voorstellingen. Zoek de uitzondering op de regel…!

.

Waaruit bestaat het lijden van de protagonist?

‘Waaruit bestaat het lijden van Elektra?’ … luidt de vraag die nu aan de orde is. Onze pro­ta­go­nist baadt zo ruimschoots  in allerlei ellende, dat de verleiding groot is, om dat alles maar op te sommen. Maar niet alle leed is lijden, werd reeds eerder gezegd. Om duidelijk te maken waar het niet om gaat, zullen we eerst drie pogingen, die vaak worden gedaan om het lijden te ver­woorden, als onbruikbaar terzijde schuiven. Zo komen we ten­slotte tot dat éne – eenvoudige – lijden van Elektra.

  • Een eerste poging het lijden te omschrijven, luidt nogal eens:
    ‘Elektra lijdt vanwege de dood van haar vader, Agamem­non’.

Hoewel Elektra daar inderdaad nog dage­lijks treurt om de moord op haar vader, voldoet dat niet aan de voor­waarden van het lijden. We zien Elektra daar­mee niet een worsteling aan­gaan: zij doet geen poging dit ver­driet te verwer­ken. Integen­deel, zij koestert deze voorge­schiedenis als de bron van haar woede. Dit ver­driet kent ook geen bewe­ging: het is er al jaren en jaren, en blijft binnen het stuk even sta­tisch als daarvoor, totdat het verdwijnt wan­neer de wraak wordt vol­trok­ken. De dood van Agamem­non en ook Elektra’s treurnis daar­over zijn noodzakelijke voor­waar­den, maar vormen niet het lijden zelf.

  • Een tweede poging:
    ‘Elektra lijdt aan haar ellendige le­ven’.

Dit is veel te ruim gesteld: haar armoe­de, het juk van moe­der en stiefvader, haar eenzaamheid, haar trieste herin­nerin­gen, enz. enz… Zo’n ongebreidelde opsom­ming is in strijd met de geëiste eenvoud van het lij­den: we zijn niet op zoek naar zoveel mogelijk proble­men, maar naar één helder contrast. Ook deze tweede poging betreft een statische toestand. Sinds Agamemnon is vermoord duurt de ellende en het verdriet van Elektra al vele, vele jaren ongewijzigd voort. En vooral: al die ongebreidelde ellende bevindt zich in al die jaren vóór aanvang van de voorstelling- en die krijgen we niet te zien…

Wat we dan ook opmerke­lijk moeten maken, is dat So­pho­cles het stuk niet in díe tijd laat spelen, maar… op de dag dat het speelt! Wat maakt deze dag nu zo uniek? Dat heeft uiter­aard van alles te maken met de terugkeer van Orestes: na jaren en jaren gebeurt er zo­doende nog eens wat… vandaag!

  • De derde poging zegt daarom:
    ‘Elektra lijdt onder de afwezig­heid van haar broer’.

We hoeven niet alle tegenargumenten te geven, want een simpele test maakt al snel duide­lijk, dat dit lijden niet het gehele stuk kan verklaren. Het moment, waarop Elektra haar broer in haar armen sluit, zou dan immers het einde van dat stuk moeten zijn – maar is dat niet! De hereni­ging van Elektra met Ores­tes betekent kennelijk niet het einde van haar werkelijke probleem: dat kan nu pas echt aange­pakt wor­den…

Daarmee vinden we een aanknopingspunt: Orestes komt niet zomaar terug om terug te komen, maar om een opdracht uit te voeren. Elektra wacht dan ook niet zomaar op haar broer, maar juist op de wraak die hij zal plegen! En wan­neer die wraak is vol­trok­ken… dan is het stuk ook vol­tooid!

So­pho­cles toont ons een bijzondere dag: eindelijk keert voor Elektra de kans op wraak – eerst negatief, dan posi­tief! Daarmee volgt de positieve pro­ta­go­nist de twee tegen­gestelde bewegin­gen van het lijden:

  • eerst slinkt de kans voor haar tot een absolute onmoge­lijk­heid
  • maar dan groeit die kans tot mogelijkheid, die wordt benut: wraak!

Zowel Elektra’s diepste droefe­nis als opper­ste vreug­de komen voort uit deze wisselende kans op wraak. Het lijden van Elektra bestaat – zoals vereist – uit een helder con­trast:

Elektra schema lijden 1

zie verder >> 2. Personages in Elektra, handelingsverloop